![]() |
Geschiedenis van |
||
| De vroegste bewoners van Spanje waren de
Liguriërs. Deze vermengden zich later met de uit Afrika afkomstige
Iberiërs. Deze woonden vooral in de vruchtbare kuststreken. Ze dreven
handel met allerlei volken rond de Middellandse Zee. Myceense zeevaarders speelden een grote rol in het handelsverkeer met Spanje. Sinds de 7de eeuw v. C. namen ook de Grieken deel aan dit handelsverkeer. Tegen het einde van de 5de eeuw v. C. hadden de Feniciërs Spanje gedeeltelijk veroverd. De Carthagers troffen in het noorden van het land Kelten aan, daar gekomen tussen 900-600 v. C. De Carthagers konden zich daar niet handhaven en de Romeinse overheersing werd een feit omstreeks 200 v.C. |
![]() |
|
De drie provincies Tarraconensis, Baetica en Lusitana werden de hoofdzetels van de Romeinse beschaving. De welvaart kwam er tot grote bloei. De romanisering was praktisch volledig. Met name door de invallen van de Barbaren ging in de 3de eeuw n. C. welvaart en beschaving achteruit. |
|
|
In 415 drongen Germaanse
veroveraars Spanje binnen en vestigden zich in Lusitanië, Andalusië,
Galicië en Catalonië. Bijna het gehele schiereiland werd overmeesterd.
De oude beschaving van de Romeinen bleef echter grotendeels in stand tot
711. |
| De christelijke staten in het noorden zoals Leon en Navarra
en later Castilië en Aragon konden hier gebruik van maken. Vanuit deze
staten begint den de Reconquista, herovering, van Spanje. Alfons VIII
kon blijvend Toledo bezetten. Ferdinand III verenigde Castilië en Leon. In 1250 was geheel Spanje, met uitzondering van Granada dat tot 1492 Moors bleef, in handen van de christenen. Het bleef twee eeuwen over de staten Castilië, Aragon, Navarra en Portugal verdeeld. Door het huwelijk van Ferdinand en Isabelle werden Aragon en Castilië met elkaar verenigd. |
![]() |
![]() |
![]() |
|
|
|
Karel V van het Duitse
Rijk, volgde in 1504 Ferdinand van Aragon op. Hij onderdrukte de
opstand van de Comuneros (1520). Spanje werd door de veroveringen in
Amerika en door het bezit van een deel van de Italiaanse landen en de
Nederlanden het middelpunt van een zeer groot rijk. |
||||
| In 1808 kwamen de Spanjaarden in opstand tegen de Fransen. Nu steunden de Engelsen onder Wellington de Spanjaarden weer en in 1814 werd de overwinning op de Fransen behaald. Ferdinand VII en later zijn dochter Isabella gingen het land regeren. | ||||
|
![]() |
|
|
|
|
Generaals slaagden in 1868
erin de regering van Isabella definitief te beëindigen. In 1873 werd
Spanje een federatieve republiek. Alfons XII werd koning. De tijd tot 1923 staat bekend als een tijd van de restauratie: gekenmerkt door een liberale grondwet van Canovas. Hij wist bekwaam liberale regeringen af te wisselen met reactionaire. De verkiezingen van 1923 werden gewonnen door de socialisten. Als reactie daarop kwam er een militaire junta die zich aan het hoofd van de regering stelde, onder leiding van Primo de Rivera. Door de overwinning van de republikeinse verkiezingen, kwam er een progressieve democratische Constitutie en werd Zamora president. In 1933 kregen uiterst rechtse krachten de overhand. Gevolg was terreur en in 1936 begon de burgeroorlog. Deze eindigde in 1939 en Franco voerde de alleenheerschappij, gesteund door de enige politieke beweging, de Falange. |
||
![]() |
Franco schakelde alle politieke tegenstanders uit. Spanje bleef buiten de Tweede Wereldoorlog, wel namen falangistische vrijwilligers deel aan de oorlog tegen de Sovjet-Unie en konden Duitse onderzeeërs gebruik maken van Spaanse havens. In 1969 werd Juan Carlos van Bourbon als opvolger van Franco aangewezen. Koning Juan Carlos heeft zich na de dood van Franco ontpopt tot een krachtig pleitbezorger van de democratie. In 1977 zijn de eerste vrije parlementsverkiezingen gehouden. Deze werden een grote overwinning voor de Unie van het Democratisch Centrum (liberalen, socialisten en christen-democraten). |
|